Helaas is deze website niet geoptimaliseerd voor oude browsers, mocht de website niet toereikend werken dan staan wij u graag telefonisch te woord op nummer 030 234 08 19

Opvang, (begeleid) wonen, budgetbeheer & schuldhulpverlening, dagbesteding & activering

Geen goede daad blijft ongestraft: Knelpunten bij schuldenwetgeving deel 6

04 december 2018

Door Marthe Riemeijer, Senior budgetconsulent & schuldhulpverlener bij Stadsgeldbeheer

Op 1 januari 2015 is binnen de Participatiewet de kostendelersnorm ingevoerd. De hoogte van de uitkering hangt nu af van het aantal personen in de huishouding waarmee de kosten kunnen worden gedeeld: de kostendelers. De uitkering wordt dus lager naarmate er meer mensen in huis wonen, om stapeling van uitkeringen op één adres te voorkomen. Uitzondering zijn kinderen tot 21 jaar, studenten en commercieel huurders. De gedachte achter deze maatregel is dat wanneer mensen samenwonen ze kosten zoals huur, energie en boodschappen kunnen delen en dus minder inkomen nodig hebben.

Onvoldoende inkomsten voor noodzakelijke uitgaven
De realiteit is helaas anders. De kostendelersnorm is geen prikkel gebleken om kosten te delen, maar een prikkel om minder mensen een (tijdelijke) woonplek aan te bieden. Hoewel bepaalde kosten te delen zijn, zijn er ook kosten die niet deelbaar zijn, zoals de zorgverzekering, uitgaven voor kleding, mobiele telefoon enzovoort. Deze niet-deelbare uitgaven kunnen tot € 398,- bedragen voor een alleenstaande en € 960,- voor een echtpaar met twee kinderen. Bij de huishoudens met drie of meer kostendelers zijn hierdoor de inkomsten onvoldoende om de uitgaven te kunnen doen die het Nibud als noodzakelijk beschouwt.

Een tekort van € 210,- per maand
Elisa is een alleenstaande moeder van vier kinderen tussen de 14 en 31 jaar oud. Haar oudste kind studeert en verleent mantelzorg aan haar moeder. Haar zoon van 22 heeft een Wajong-uitkering. De zoon is kostendeler, maar hij heeft schulden waardoor hij niets kan betalen en een gedragsstoornis waardoor hij niets wil betalen. Elisa komt hierdoor maandelijks 210,- euro tekort. Uiteindelijk wordt er door de begeleiding voor de zoon passende woonruimte gevonden en krijgt Elisa haar volledige uitkering weer. Zes maanden later stopt de oudste dochter met studeren, zonder werk, met een hoge studie- en zorgverzekeringsschuld terwijl ze nog voor haar moeder zorgt. De kostendelersnorm wordt opnieuw bij Elisa ingevoerd.

Drie nadelige gevolgen
Er is een toename van zelfredzame daklozen. Dit komt mede omdat tijdelijk onderdak aanbieden aan een vriend of familielid nu financiële gevolgen heeft voor het inkomen. Wanneer je gaat scheiden is het niet meer vanzelfsprekend dat één van de twee ex-partners bij de ouders kan verblijven, omdat die het wellicht niet meer kunnen betalen.

Bij daklozen jongeren is het probleem nog urgenter. Wanneer ze kostendeler worden en onvoldoende bij kunnen dragen in de kosten van de huishouding kan dit tot spanningen en financiële problemen leiden bij zowel de ouders als de jongeren zelf. Een deel van deze jongeren komt zonder uitkering of zorgverzekering op straat terecht en wordt onvindbaar voor gemeente en hulpverleningsinstanties. Hier staat de uitvoering van de kostendelersnorm op gespannen voet met de zorgplicht van de gemeente.

Als laatste zijn er de maatschappelijk kosten die verbonden zijn aan de kostendelersnorm. Meer mensen hebben woonruimte en huurtoeslag nodig, er zijn hogere kosten voor maatschappelijke opvang door een hoger aantal daklozen en als laatste zijn er hogere zorgkosten, omdat mensen minder mantelzorg kunnen bieden.

Participatie wordt tegengewerkt
We zouden elkaar meer moeten helpen, maar dat wordt door deze wetgeving bemoeilijkt. Er zijn mensen die, al dan niet tijdelijk, de lege logeerkamer ter beschikking zouden willen stellen aan iemand in nood. Dat kan een vriend of familielid zijn, maar ook bijvoorbeeld een ex-vluchteling. Dit soort mooie gebaren worden uitgerekend in het participatie-tijdperk tegengewerkt. De kostendelersnorm en het gebrek aan betaalbare woonruimte zijn niet te verenigen. In schrijnende situaties mag de gemeente een uitzondering maken, maar het probleem ligt in Den Haag. Daar moet worden gekeken naar de onvoorziene gevolgen van deze wetgeving. In de oude bijstandswet kon de gemeente de uitkering met 10% of 20% korten vanwege de deelbare kosten. Dat was een betere oplossing. Geef de gemeente de bevoegdheid om de uitkering met een redelijk percentage te korten wanneer er echt sprake is van een huishouden met deelbare kosten maar straf een helpende hand bieden niet af, want dat kan toch niet de bedoeling zijn van deze wetgeving.

 

 

Vragen?

Vragen? Neem contact met ons op.